Keihard trainen, uren afzien op de trainingswand, altijd gemotiveerd blijven en doelen stellen die onmogelijk lijken: dat is kort samengevat hoe Max Deelen één van de beste buiten boulderaars van Nederland werd. In Fontainebleau heeft hij al keer op keer laten zien wat hij waard is, met onder andere zijn beklimmingen van Karma en Narcotic, beide 8a+, en recent die van Bleu Sacré, zijn eerste 8b. Voor deklim.site sprak ik hem over zijn grote liefde voor klimmen, de beste trainingsmanieren en hoe lastig het is om grenzen te stellen.

Eerste passen
Max is tien als hij voor het eerst in aanraking komt met klimmen. Hoewel Max tegenwoordig nooit meer een achtje knoopt en Bleau zijn tweede thuis noemt, is hij ooit begonnen zoals zovelen: met toprope. “Ik woonde destijds in België en mijn vader vond het leuk om mij allemaal sporten te laten proberen zoals badminton, voetbal en atletiek, maar geen enkele sport beviel me. Eigenlijk vond ik klimmen in eerste instantie ook helemaal niet leuk, omdat ik enorme hoogtevrees had. Toch heb ik doorgezet en toen ik na enige tijd 5c klom, kon ik naar de topgroep van de klimhal. Ik kon toen redelijk klimmen en de competitie onderling maakte dat ik het steeds leuker ging vinden. Daarna ben ik naar Singapore verhuisd waar ik in het schoolteam kwam en toen ben ik echt serieus gaan trainen. In het laatste jaar in Singapore ben ik geswitcht naar boulderen en sindsdien heb ik bijna geen gordel meer aan gehad.” Lachend zegt hij dat boulderen zijn voorkeur heeft omdat hij er niet van houdt te verzuren, maar de daadwerkelijke reden blijkt toch wat diepgaander. “Ik zie boulderen als een uitdagende puzzel die moet worden opgelost, als een test om te zien wat ik maximaal kan. Een soort 100 meter sprint. Bij het leadklimmen had ik dat niet, dan was ik al verzuurd als ik bij de crux aankwam en kon ik niet meer de kracht geven die ik op de grond nog had.”

Max zijn enorme liefde voor boulderen en trainen wordt tijdens het interview keer op keer benadrukt: gepassioneerd vertelt hij me over zijn klimtrips en trainingen. Het wordt me steeds duidelijker dat de prestaties van Max niet zonder fouten en zeker niet vanzelf komen. Gelukkig is Max meer dan bereid zijn geleerde lessen met ons te delen.

L’Aplat du Gain 8a, Fontainebleau. Foto door Nathan de Groen

1. Train je zwakke punten, maar blijf plezier houden
“Ik hou van trainen. Wanneer ik op de universiteit ben (Max is tweedejaars biologiestudent in Utrecht), kan ik me er de hele dag op verheugen om weer te projecten in de trainingswand en aan grepen te hangen. Momenteel train ik eigenlijk alleen maar klimspecifiek, wat inhoudt dat mijn hele training op de klimwand is. Ik heb vorig jaar veel gecampust op de latjes en gehangboard om sterker te worden, maar op de trainingswand is er zo veel meer variatie in bewegingen. Ook project ik graag in zelfverzonnen boulders op de trainingswand en wil ik graag het moonboarden weer oppakken, omdat dat door de verre passen en grote bewegingen een perfecte training is voor de Rocklands waar ik aankomende zomer vier weken naar toe ga.”

Wie Max ziet klimmen, ziet iemand die ogenschijnlijk moeiteloos alle grepen wegtrekt en weinig verbeterpunten heeft. Toch weet hij zelf een scala aan zwakke punten te noemen. “Ik heb veel moeite met plaatklimmen, kleine treetjes, dualtexture tredes, kruispassen dicht bij mijn lichaam. Ook zou ik graag wat sierlijker willen leren klimmen, omdat ik nu vaak dingen oplos met kracht. Het is heel goed om passen te trainen die super oncomfortabel aanvoelen; als je alleen passen traint die bij jou passen, train je steeds in hetzelfde straatje. Denk buiten de box en vind de balans tussen technische en krachtige boulders. En blijf vooral trainen wat je leuk vindt en waar je goed in bent.”

Fédéraclure 8a+, Fontainebleau. Foto door Nathan de Groen

2. Stel grenzen
Wanneer ik Max interview, vertrekt hij over twee dagen naar Fontainebleau, zijn favoriete bouldergebied waar hij vrijwel om het weekend te vinden is. Gepijnigd vertelt hij me hoe moeilijk hij het vindt om de dagen daarvoor rust te houden. “Ik train momenteel vijf keer per week, soms zes keer. Per sessie train ik nooit langer dan 2 à 2,5 uur. Vroeger ging ik vaak zo lang trainen dat het niet meer effectief was, zeker vier uur achter elkaar. Dat soort sessies zijn het minst productief, maar als ik korter ging, had ik het gevoel dat ik niet genoeg had getraind. Ik deed dat omdat ik het gevoel had dat ik anders niet goed genoeg was – ik moest naar huis gaan met het gevoel dat ik helemaal gesloopt was en alles had gegeven. Ik kan me goed vinden in de welbekende uitspraak van Patxi Usobiaga: ‘My greatest talent is being a masochist.’ Zo’n doorzettingsvermogen kan je ondergang worden, maar het helpt je ook om je doelen te bereiken. Je kunt heel ver komen als je er een goede balans in vindt en ik denk dat ik die nu voor mezelf heb gevonden.”

Ik wilde ‘s avonds in bed kunnen liggen met het gevoel compleet gesloopt te zijn en niets meer te kunnen.

Wanneer ik Max vraag wat die eindeloze trainingssessies hem brachten, is het even stil. “Ik denk dat ik er vooral voldoening uithaalde. Ik wist dat ik na twee uur trainen niet meer efficiënt bezig was en onder mijn maximale niveau trainde, maar toch ging ik door. Ik wilde ‘s avonds in bed kunnen liggen met het gevoel compleet gesloopt te zijn en niets meer te kunnen. Nog steeds vind ik dat een fijn gevoel, maar ik weet dat het me niets brengt. Dat houd ik anderhalve dag vol en daarna ben ik kapot. Tegenwoordig train ik korter en kan ik prima drie dagen achter elkaar trainen. Af en toe heb ik wel het gevoel dat ik er meer uit had kunnen halen, maar dan weet ik meteen dat dat in mijn hoofd zit. Als ik na twee uur klaar ben, weet ik dat ik alles heb gegeven en hoef ik niet meer door te gaan. Wat dat betreft heb ik mentaal een ontwikkeling doorgemaakt.”

3. Train voor het onmogelijke
De trainingswand dus, dat is waar je moet zijn voor het echte werk. Keiharde passen verzinnen, twijfelen of het ooit gaat lukken en je daar dan in vastbijten. Maar hoe kun je bepalen of een pas mogelijk is in de toekomst, of gewoon onhaalbaar? “Ik verzin vaak projecten op de trainingswand die ik stap voor stap uitwerk. De projecten zijn meestal rond 8a+ en ik kan daar wel een halfjaar mee bezig zijn. Ik denk dat het project juist precies goed is als je aan het begin ervan denkt dat het nooit gaat lukken. Ik heb al zo veel geklommen waarvan ik een halfjaar ervoor dacht dat het nooit zou lukken. Die progressie werkt enorm motiverend en draagt ook bij aan mijn mentale kracht en zelfvertrouwen.”

Bleu Sacré 8b, Fontainebleau. Foto door Thijs van Delden

“Het was mijn levensdoel om 8b te boulderen. Ik had dat doel op verschillende lijsten gezet met wat ik wil bereiken in het leven. Ik was compleet geobsedeerd door de gradatie, dacht er elke dag, elk uur aan; het voelde bizar om dat af te kunnen strepen. Het voelde voor mij alsof ik met Bleu Sacré, mijn eerste 8b, iets heel groots afsloot in mijn leven. Ik heb al nieuwe doelen voor mezelf opgesteld, zoals 8c boulderen en het flashen van een 8a. Ik heb The Big Island (8c) al in één sessie in twee delen uitgewerkt en ik ben ervan overtuigd dat het gaat lukken als ik hard genoeg train.”

Zes maanden lang ging ik om het weekend naar Fontainebleau voor alleen die boulder.

4. Weet wanneer het genoeg is
Er zit een dunne lijn zit tussen het behalen van een groot doel en jezelf daarin verliezen. Het scheelde maar weinig of Max was aan de verkeerde kant van de lijn geëindigd. “Ik was compleet geobsedeerd door Bleu Sacré, ik dacht er non-stop aan en werd er soms gestoord van. Zes maanden lang ging ik om het weekend naar Fontainebleau voor alleen die boulder, ik heb niets anders gezien van het gebied. Toen begon ik wel aan mezelf te twijfelen en dacht ik veel aan andere boulders die ik had kunnen proberen en die misschien wel gelukt waren. In de kerstvakantie ging ik weer naar Bleau met het doel dat ik Bleu Sacré ging afmaken, het moest gewoon. Ik wilde er zo graag vanaf zijn en het lukte maar niet; de boulder ging steeds slechter en ik raakte enorm gedemotiveerd. Dat was mentaal heel moeilijk voor me. Michiel Nieuwenhuijsen en Nathan de Groen hebben mij toen overtuigd om die boulder te laten liggen en me op andere boulders te richten. Ik heb toen Narcotic geklommen, mijn eerste 8a+, en toen ik aan het einde van de vakantie terugkwam bij Bleu Sacré had ik een heel andere instelling. Door Narcotic was de druk eraf, omdat ik al tevreden was met wat ik had bereikt. Als ik mijn focus niet had verlegd en zo met Bleu Sacré was blijven worstelen, denk ik dat ik hard onderuit was gegaan en het niet was gelukt.

Ik dacht altijd dat het onmogelijk was om een boulder niet meer leuk te vinden, maar op een gegeven moment was ik er echt helemaal klaar mee. Ik ga nu heel anders om met mijn projecten en zie Bleu Sacré als een groot leerproces. Het werkt niet als ik elke dag als een gek met de boulder bezig ben; als ik wacht op goede condities zal het me lukken. Terugkijkend is het goed geweest dat het proces zo lang heeft geduurd en was het een mooie ervaring. Misschien was alle frustratie uiteindelijk wel nodig om de boulder te halen.”

“Ga naar de fucking top, idioot!” Video en commentaar door Thijs van Delden.

5. Blijf bij jezelf
“Wanneer een proces als Bleu Sacré zo lang duurt, stel ik me voor dat de druk om uit te toppen steeds groter wordt. Druk vanuit jezelf, maar ook de druk van buitenaf. Als ik in de hal aan het klimmen ben en vlak daarvoor op Instagram heb gepost dat ik een nieuwe boulder heb gehaald, heb ik wel het idee dat mensen naar me kijken. Er zijn vast mensen die zich afvragen waarom het niet lukt als ik in Sterk uit een boulder val. Dat vind ik geen prettig gevoel, maar misschien is dat wel net de extra druk die voor mij werkt en waardoor ik beter presteer. Als iemand kijkt wanneer ik bezig ben in een boulder, geef ik soms toch meer dan wanneer ik boven in mijn eentje op de trainingswand bezig ben. De druk die ik echter op mezelf leg, werkt averechts en maakt me gestrest. Ik merk dat ik beter presteer als ik minder druk op mezelf leg.

Wanneer ik veel stress ervaar buiten het klimmen om, door studie bijvoorbeeld, helpt het me juist goed om stoom af te blazen in de hal. Ik raak compleet in de zone als klim of train, denk dan alleen aan het project waar ik mee bezig ben en heb geen tijdsbesef meer. Na het trainen kan ik het probleem beter relativeren en er rustiger over nadenken. Ik denk dat het belangrijk is om het trainen een functie te laten hebben. Niet alleen maar trainen om het trainen, maar ook om te kunnen ontspannen en stress los te laten. Ik vind het vooral heel leuk, maar ook een manier om alle stress los te kunnen laten.”

6. Onthoud waarom je klimt
In het buitenklimmen heeft Max zijn strepen al ruim verdiend, maar binnen het wedstrijdklimmen heeft hij nog geen grote naam. “Ik heb in 2018 meegedaan aan de kwalificaties voor het Nederlands Kampioenschap en die gingen toen heel goed, waardoor ik me plaatste voor het NK. Ik had daar ontzettend hard voor getraind, maar tijdens de halve finale ging ik compleet de mist in. Bij de tweede boulder maakte ik veel fouten bij het inlezent en probeerde ik steeds dezelfde beta in plaats van terug te grijpen naar een plan B. Achteraf was het zó duidelijk wat ik fout deed, maar in het moment zelf bedacht ik niet wat ik anders moest doen. Ik vond het zo zonde: je traint hard en dan lukt het door stomme fouten niet om er alles meer uit te halen. De dagen erna heb ik daar ontzettend van gebaald en in die dagen heb ik alleen maar getraind, bijna om mezelf af te straffen.

Dit jaar besloot ik toch weer met de wedstrijden mee te doen, maar ik ben weer hard onderuit gegaan. Ik kwam net terug uit Fontainebleau toen ik meedeed aan Boulder 1, had überklassieker Karma (8a+) geklommen en dacht dat ik in de vorm van mijn leven was. Daar merkte ik echter niks van bij de kwalificaties: de boulders gingen rampzalig en ik eindigde als drieëntwintigste. Het is lastig te zeggen waar het precies aan lag, want ik was niet zenuwachtig en voelde me fysiek sterk genoeg. Inmiddels heb ik geconcludeerd: ik haal zo veel minder plezier en voldoening uit wedstrijden dan ik aanvankelijk dacht en ik vind buitenklimmen zo veel leuker, dat ik heb besloten om voorlopig te stoppen met wedstrijdklimmen.” Lachend: “Het zijn toch vier weekenden per jaar waarin ik niet naar Fontainebleau kan!”

Ik vind dat flashen iets heel moois heeft: in één poging doe je elke beweging perfect, zonder dat je van tevoren precies weet hoe die beweging gaat.

Waar Max Deelen zich op wedstrijden niet thuis voelde, heeft hij in Bleau zichtbaar zijn tweede thuis gevonden. Voor komende zomer heeft hij echter een trip gepland naar een ander boulderparadijs: Rocklands, Zuid Afrika. En Max zou zichzelf niet zijn als hij daar niet met grootse plannen heen zou gaan. “In de Rocklands wil ik graag bepaalde boulders flashen van het niveau 8a. Ik vind dat flashen iets heel moois heeft: in één poging doe je elke beweging perfect, zonder dat je van tevoren precies weet hoe die beweging gaat. Het is een soort ultiem bewijs hoe goed je bent. Daarbij vind ik flashen heel erg moeilijk omdat ik vaak veel te gehaast instap zonder voldoende in te lezen, dus het is een goede uitdaging. Ik maak de lange reis ook om The Vice (8b) te klimmen en nog een aantal boulders in die graad. Eigenlijk wilde ik naar de Rocklands gaan met niet teveel doelen, zodat ik niet terugkom met het gevoel dat het niet is gelukt.”

Tot slot vraag ik Max wat hem gemotiveerd houdt om zo hard te trainen, en daar heeft hij een verrassend simpel antwoord op. “Ik heb er eigenlijk geen moeite mee om mezelf te blijven motiveren of door pijn heen te gaan, want ik vind klimmen gewoon geweldig. Ik moet oppassen dat ik niet te lang train en mezelf opfok, want ik weet dat mijn enthousiasme mijn valkuil is. Uiteindelijk denk ik dat het juist goed is dat ik mezelf niet constant hoef te motiveren. Dan had ik misschien toch maar moeten gaan badmintonnen.”

Max was vier weken in Rocklands, Zuid-Afrika. Trainen loont, dat blijkt maar weer.